De opperbevelhebber van de Grote Syrische Opstand, Sultan Pasha al-Atrash, schreef in 1961 overpeinzingen, waarin hij in een daarvan zegt:
Men zei dat we de vrucht van onze strijd hebben geplukt, de vrucht van die boom waarvan we de aarde met ons bloed hebben doordrenkt… Nee, deze vrucht is nog niet gevormd, onze strijd bevindt zich nog in het bloeistadium en is nog geen vrucht geworden, omdat we hem niet willen plukken tenzij we allen als Arabieren verenigd zijn.
Zonen van de revolutie en kinderen van de woestijn, zo hebben wij onszelf toegewijd om offers te zijn op het altaar van het arabisme… Ze zal geen vruchten dragen zolang haar takken vergeven zijn van dodelijke insecten; ze zal geen vrucht dragen totdat de stem van Palestina weerklinkt voor vrijheid en het spook van hebzucht verdwijnt uit Irak, Egypte en Transjordanië. Daarna, wat een heerlijke, rijpe vrucht zou dat zijn, een symbool voor generaties die de fakkel van de beschaving droegen, en waarvan het licht nooit meer zal doven.






